Het gebeurde in een heel klein dorp

Het gebeurde in een heel klein dorp, vlak bij zee, in december. In het begin viel het niet op dat op een dag de gordijnen dicht bleven in een hoekhuis. In dat huis woonde een vrouw samen met twee katten. Het viel niet op omdat de buurt wist dat zij vaak uitsliep; de gordijnen bleven dan dicht en gingen pas in de loop van de middag open. Vanaf die winterse dag bleven ze dicht, dag in dag uit.
            De buren kende de vrouw niet anders dan altijd bezig. Ze had de tuin omgetoverd tot een plaatje. Zomers waren de borders gevuld met vrolijk gekleurde bloemen. De heggen waren bijgehouden, het grasveld gemaaid. Achter stond een grote houten tafel met altijd een bos bloemen er op en makkelijke tuinstoelen met vrolijke gekleurde kussens. Op zonnige dagen sliepen de twee katten daar. Ook de voortuin zag er keurig uit, ze maaide het grasveld, hield de oprit voor de auto onkruidvrij en had er nieuw grind neergelegd. Het was een vrolijke vrouw, ze zong vaak en ook hoorde je haar praten tegen haar katten. Ze liepen af en toe met haar mee als zij een korte wandeling in de straat maakte. Je kon zien dat de vrouw erg lief voor de katten was en dat er sprake was van wederzijdse aanhankelijkheid.
            Ze hing altijd haar wasgoed aan de zijkant van haar huis aan de lijn, tussen haar huis en het huis op de andere hoek. Dat was verleden tijd, geen wapperende was meer. Als je in de buurt van het huis kwam rook je een vieze lucht, een beetje weeïge zoete stank, alsof er fruit lag weg te rotten. Op den duur liepen buren met een boog om het huis en de tuin heen. De buurvrouw had ook vaak haar was tussen de huizen gehangen, het wasgoed rook dan lekker fris naar de zilte zeelucht maar nu stonk het als ze het binnenhaalde, dus hing ze het voortaan in haar eigen achtertuin.
            Na een paar maanden, in het voorjaar, maaide de vrouw nog een keer het gras. Dat was het laatste wat ze aan de tuin deed, het gras groeide en groeide maar. Kniehoog stond het aan het einde van de zomer. Het was die zomer heet; zo drukkend warm dat het normaal leek toen zij lakens voor de ramen spande van de zijkamer. Maar ze bleven hangen ook nadat het weer was omgeslagen. En dat was niet gewoon.
            Buren zagen haar eens per week met de auto wegrijden, boodschappen halen in een dorp in de buurt. Op een dag stond haar auto met een lekke band op de oprit, ze liep naar achteren naar de schuur en reed even later op de fiets de straat uit. Ze deed niets aan die lekke autoband. Ze liet de auto op de oprit staan en ging vanaf dat moment op de fiets. Het leek alsof het haar niet interesseerde, alsof niets haar meer interesseerde. Een keer in de week zagen ze haar fietsen en een uurtje later terugkomen met fietstassen vol etenswaren. En dan sloot ze zich weer op in haar huis.
            In het begin was ze zo anders. Ze was vriendelijk en kwam bij buren achterom voor een praatje. Haar twee katten kwamen toen nog elke dag buiten of zaten op de stoelen achter. Misschien werd ze wel eenzelviger omdat de buren niet even bij haar langs kwamen? Nee, dat kon niet de reden zijn waarom ze nooit meer haar ramen lapte. Het was een goed contact dat abrupt stopte. Het ging van haar uit. Zij groette niemand meer. Als iemand haar zag, wat zelden gebeurde, keek ze snel naar de grond. Een bevriende buurvrouw had nog geprobeerd contact met haar te krijgen, en had een paar keer aangebeld maar er werd niet open gedaan. Onbeleefd want iedereen wist dat zij wèl thuis was.
            Haast een jaar verder in november raakte ook één van haar fietsbanden lek, de fiets stond tegen de grote prunus in de voortuin en roestte weg. Van de auto waren toen al alle vier de banden lek, het wrak bleef staan op de oprit. De tuin zag er niet uit, het huis werd aan de buitenkant verwaarloosd en het leek alsof er steeds meer oude rommel rondom het huis lag. Hoe het er binnen uitzag wisten de bewoners niet maar de stank die nu uit het huis kwam was verschrikkelijk, het stonk naar rotte eieren. Het was een geluk dat de zeewind voor frisse lucht zorgde, anders was het niet om uit te houden.
            Buiten lagen verroeste stoelen, een doorgezakte tuintafel, plantenpotten met onkruid. De mooie vaas waarin eerst elke week verse bloemen stonden was kapot, de scherven lagen op de grond. De vuilnisbak bracht ze niet meer achterom, hij bleef constant, in het zicht, naast het huis staan. Je zag haar overdag nooit huisvuil erin gooien, wat ze wel deed, want op de dagen voordat de vuilophaaldienst kwam zette ze ’s nachts haar bak naast die van de buren. Dus van rottend huisvuil kon de overweldigende stank niet zijn. De buren roddelden erover zoals er over alles werd geroddeld, maar na de stanklucht spraken ze er schande van, zo kon het toch niet. Het was armoedig, het zag er niet uit, het stonk, het was een smet op hun voorheen zo keurige straat.
            Nadat ook haar fietsband lek was kwam ze niet meer buiten. Haar boodschappen werden gebracht door een aardige winkeldame uit een naburig dorp. Die groette vriendelijk als ze iemand tegenkwam. Zij niet, haar zagen ze niet meer. De deur werd op een kier gezet als de winkelierster er was, je zag haar hand die de tas aanpakte en snel de deur sluiten. Ze zal hebben betaald met telebankieren, een van de buren vertelde dat ze een computer in haar huis had gezien.
            ‘Ja, ze zat vaak achter die computer,’ zei buurvrouw Klaartje. ‘Die stond op de grote tafel voor het raam. Daar zat ze meestal. Ze zwaaide als ze je zag.’
            ‘Ze was best lief,’ zei het buurkind Geesje die op straat speelde met een tol. ‘Ik heb nog wel een keer een glaasje limonade bij haar gedronken.’
            ‘Ja, en toen heeft ze ons voorgelezen. Ze schreef verhalen voor kinderen,’ vertelde het vriendinnetje van Geesje.
            Vroeger kreeg ze veel visite. Een vriendenstel kwam erg vaak langs maar de buren hadden ook andere vrienden en familie gezien. Bezoek werd echter zeldzaam, af en toe kwam dat vriendenstel nog langs, maar haar familie en andere vrienden lieten het al snel afweten. Op een gegeven moment kwam er helemaal niemand meer. De bewoners wisten nog heel goed van de laatste keer dat er visite kwam. Zij was scheldend, met verwilderde haren, uit haar huis gehold en had dat aardige vriendenstel van haar terrein gejaagd. Daarna had niemand in de buurt haar ooit nog gezien. De mensen van het dorp raakten gewend aan de stank en vergaten hoe ze er uitzag.
            ‘Ze is ook niet van hier,’ zeiden ze tegen elkaar.
           ‘Stadse mensen zijn anders, daar komt het door.’
            Buurman Karel was een jaar weggeweest, hij werkte op zee, kapitein op de grote vaart en was vaak maanden van huis. Toen hij weer terugkwam werd het allemaal wat duidelijker. Hij vertelde dat hij in de week voordat hij weer naar zijn werk moest voor haar een groot gat in haar tuin had gegraven. Het was guur weer die dag en het regende een beetje. De kuil was in haar achtertuin vlak voor de vlierbes bij de overgang naar het grasveld. Hij had hem zo diep gegraven dat als je er in stond de bovenrand net tot je knieën kwam.
            Vlak daarna zag hij haar thuiskomen. Ze droeg een van haar katten in haar armen, dood. Met afgehangen schouders huilde ze. Er was een man bij, een vriend, samen met het kattenlijkje en hem was ze naar binnen gegaan. Een uurtje later bracht ze die vriend weg, waarschijnlijk naar het station. Hem hebben ze daarna nooit meer gezien en nu haar ook niet meer. Die nacht was het hard gaan regenen. De bewoners wisten nog goed van die regenbui. Het had zo hard gegoten, het water kwam in heel het dorp tot over de stoepranden. Na die nacht had het nooit meer zo erg geregend.
            De kuil is er nog steeds. De buurt denkt dat zij er nog woont maar hebben haar nu twee jaar niet meer gezien. De stank is de laatste tijd erger en die andere kat zit ook niet meer voor het raam.

© Annemarie Kruit

© 2020 | Annemarie Kruit

Op mijn teksten zit copyright. Het auteursrecht is vastgelegd in artikel 1. Auteurswet.

Als iemand iets origineels schrijft of maakt is het niet de bedoeling dat anderen dat werk gebruiken ter meerdere eer en glorie van zichzelf :-).

De wet is duidelijk, in artikel 1 staat het als volgt omschreven: “Het auteursrecht is het uitsluitend recht van de maker van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst, of van diens rechtverkrijgenden, om dit openbaar te maken en te verveelvoudigen, behoudens de beperkingen, bij de wet gesteld.”